Rotterdammer kiest voor riskant leven in Zuid-Afrikaanse sloppenwijk

Journalistiek: Zuid-Afrika

De 75-jarige Arnoldus de Veth vond zijn eerste bezoek aan de sloppenwijk Gugulethu vier jaar geleden zo prettig, dat hij besloot te blijven. Hij trouwde twee maanden geleden met de 33-jarige Nomawethu. De Veth kan een boek schrijven over zijn nieuwe leven: “Wat er in twee maanden allemaal niet kan gebeuren, ze hebben me drie keer neergestoken.”

De Veth oogt op ’t eerste gezicht gezond, maar zo voelt hij zich niet. Op deze maandagmiddag in township Gugulethu probeert hij de pijn van zijn steekwonden met alcoholische versnaperingen te verzachten.

Vier jaar geleden namen Afrikaanse vrienden uit Nederland hem mee naar deze plek, waar hij zich uiteindelijk meer thuis voelt dan in zijn geboortestad Rotterdam. Plaatsen als Gugulethu ( een sloppenwijk gelegen aan de rand van Kaapstad) staan in Zuid-Afrika bekend als no go areas voor blanken.

De zogeheten townships ontstonden in de tijd van de apartheid (1948-1990), zwarte Afrikaners en kleurlingen mochten niet bij blanken in dezelfde wijk wonen. Ze werden verdreven naar de townships. Nu zijn het plaatsen waar de gekleurde bevolking zijn eigen community heeft opgebouwd. Karige huisjes en golfplaten hutjes vormen het landschap in Gugs, zoals de plaats onder de lokale bevolking wordt genoemd. Ruim zestig  procent van de bevolking van Zuid-Afrika woont in sloppenwijken. Dat is zo’n 25 miljoen van de 45 miljoen inwoners.

De voormalige scheepsbouwer had na zijn pensioen genoeg van ’t kille Nederland. Negen jaar geleden scheidde hij van zijn Nederlandse vrouw, samen hebben ze vijf kinderen. Toch voelt De Veth voelt zich eenzaam in Nederland. “Er kijkt niemand raar op als ik drie weken niets van me laat horen. Het is ieder voor zich in Nederland. Maar hier is de saamhorigheid intens. Je bent nooit alleen, ik heb altijd vrienden om me heen. Dat maak je in Nederland niet mee.”

De Veth mist daarom ook niets aan zijn geboorteland. “Wat moet ik missen uit Nederland? Ik ga zo nu en dan twee maanden terug, maar krijg telkens heimwee naar deze plek.” Maar zijn kinderen voelen het juist precies andersom. “De kinderen vragen telkens waarom ik niet in Nederland blijf. Ze missen me. Dat doet me wel eens pijn ja. Maar ze begrijpen inmiddels dat ik hier gelukkiger ben.”

Het huisje waarin de Hollander woont, bestaat uit vier kleine kamertjes. Het staat in de buurt bekend als ‘shebeen’, een illegale kroeg zoals er velen zijn in de townships. Tijdens de Apartheid was het verboden voor niet-blanken om alcoholische drank te kopen. Drank moest op allerlei creatieve manieren verkregen en verkocht worden. Op die manier ontstonden de ‘shebeens’, meestal gevestigd in een soort zelfde hutjes waar de mensen wonen.

De Veth woont sinds een paar dagen in het thuiscafé. Een vijftal vrouwen zit om hem heen, zo nu en dan vallen verschillende kerels letterlijk binnen. De een meer dronken dan de ander. Ze geven hem een hand, niet zoals in Nederland. Maar met een handjeklap ertussen.

Er wordt Xhosa gesproken, zelf spreekt de Rotterdammer deze taal niet, maar van een taalbarrière is geen sprake. In de township worden alle talen door elkaar gesproken, zelfs Nederlands. De 35-jarige Lizeeka is de kastelein van de shebeen. Al jaren is ze bevriend met Arnoldus: “Hij zorgt voor ons, en wij zorgen voor hem. En dat gaat al jaren goed.”

In de afgelopen vier jaar heeft De Veth nooit problemen gehad in Gugs. Inwoners kennen hem als gouden kerel. Zo vertelt de plaatselijke eigenaar van restaurant Mzoly’s. “Iedereen kent hem als lange Arnold. Hij is erg vriendelijk, het maakt mensen hier niet uit dat hij blank is. In ons restaurant komen ook regelmatig blanken hoor.”

Maar toch raakt lange Arnold de afgelopen twee maanden in de problemen. “Sinds ik getrouwd ben met Nomawethu is de ellende begonnen,” probeert hij nonchalant te vertellen. Maar de ernst en de pijn zijn in z’n ogen te zien. “In vier jaar tijd is me als blanke in deze township nooit iets overkomen. Totdat ik wegging bij Nomawethu. Vanaf die dag ging het mis.”

Het huwelijk vertoont na twee maanden al de eerste barstjes. Volgens De Veth kampt zijn vrouw met een drankprobleem. Net als vele inwoners van de township. Er heerst veel werkeloosheid onder de bevolking. Dronkenschap gaat vaak gepaard met criminaliteit. Arnoldus vertelt dat zijn vrouw regelmatig op stap gaat met vriendinnen, en dat ze vervolgens dronken het bed in duikt met verschillende mannen.

De Rotterdammer zag het in eerste instantie door de vingers, maar komt daar later op terug. Hij vertrekt en neemt het merendeel van zijn spullen mee naar de shebeen aan de overkant van de straat. Daar mag De Veth blijven zolang hij wil. Maar zijn vrouw Nomawethu is het niet met zijn vertrek eens. Ze vindt dat ze recht heeft op enkele spullen zoals de koelkast en de stereo-installatie. Volgens De Veth mist ze de koelkast niet zonder reden: “Ze bewaart haar beste flessen drank in het vriesvak.” Maar de Nederlander geeft toe dat het achteraf bekeken ook een geldkwestie kan zijn. “Het kan zijn dat ze simpelweg achter mijn pensioen aan zit, maar daar ga ik niet van uit.”

De overspelige vrouw laat zich echter niet uit het leven van De Veth verbannen. Net als de rest van haar familie. “Het is in de townships de regel dat familie elkaar helpt. Zoals ik het al eerder had over de saamhorigheid. Als de ene familie ruzie heeft met een andere familie, dan gaat het hard tegen hard. Maar deze saamhorigheid pakt voor mij nu wel heel slecht uit.”

Nomawethu betrekt haar familie bij haar huwelijksproblemen. Met als gevolg dat De Veth door haar broer belaagd wordt. “Ik lag wat te dutten op mijn bed, totdat de deur open vloog. De broer van mijn vrouw stak met een mes in mijn buik. Gelukkig droeg ik een riem, waardoor het mes deels afketste en ik me kon verweren.”

Enkele dagen later komt broerlief nog eens terug, en steekt de Nederlander in zijn arm. De ruzie bereikt zijn climax enkele dagen terug. Terwijl Arnoldus uit veiligheidsoverwegingen merendeel van zijn tijd in de shebeen blijft, wordt hij door zijn eigen vrouw met een mes belaagd. Ze raakt hem twee keer.

Dankzij vrienden ontkomt Arnold en wordt zijn vrouw naar buiten gewerkt. “Nomawethu was wederom dronken die dag. Dat is het grootste probleem, ze is niet te temmen zodra ze gedronken heeft.” Maar ook haar broer kampt volgens de Hollander met een drankprobleem. “Ik ken haar broer als een aardige man, we hebben nooit eerder problemen gehad. Maar voor hem geldt hetzelfde: met drank op is hij niet te houden.”

Ondanks deze sores (zoals De Veth de steekpartijen cynisch noemt) denkt de Rotterdammer er niet aan om terug te keren naar Nederland. “Ik heb drie oorlogen overleefd! De Tweede Wereldoorlog, de oorlog in Indonesië en die van Nieuw-Guinea. En dan zou ik nu rennen voor een vrouw? Dat gebeurt niet!”

In juni gaat hij voor een korte vakantie terug naar Nederland, maar zijn visum verloopt pas in 2008. Tot die tijd blijft hij gewoon in Gugs. Hij rekent op een verbetering van de situatie. “Ik laat het gebeuren maar even rusten. Gelukkig heb ik in de shebeen goede vrienden die me gedurende de dag bij staan.” Ondanks de steekpartijen houdt hij stiekem nog steeds van zijn vrouw Nomawethu, en overweegt hij zelfs om de aanklacht tegen haar te laten vallen. “Ik zeg wel dat ik niet ren voor vrouwen, maar voor haar wil ik best hard lopen.”

Terug naar Zuid-Afrika